Toen Duchamp in 1917 zijn Fountain anoniem naar een expositie zond waar feitelijk elk ingezonden werk tentoongesteld zou worden, besloot het comité dat deze urinoir geen ‘kunst’ betrof en werd hij geweigerd. 87 Jaar later, in 2004, werd Duchamp’s Fountain door panel van 500 Britse kunstkenners verkozen tot meest invloedrijke kunstwerk van de 20e eeuw. Zijn werk dwong men esthetische kwesties diepgaand te overdenken.
Het was kunst, enkel omdat de kunstenaar – die bovendien niet zelf de maker was van het object – het tot kunstwerk kroonde. Het was een massa-geproduceerd fabrieksproduct, ontdaan van zijn oorspronkelijke functie door het op zijn kant te plaatsen en ondertekend met een korte tekst die een handtekening voorstelt waarvan men tegenwoordig nog steeds speculeert over de betekenis.
Duchamp bewees dat de kunstenaar niet altijd de maker of bedenker hoeft te zijn om iets ‘kunst’ te laten zijn, ook liet hij zien dat een object een kunstwerk kan worden enkel omdat de kunstenaar hiertoe beslist.
Kan iets dan ook kunst worden, als de ‘kunstenaar’ zelf dit nooit zo bedoeld heeft, maar anderen hiertoe beslissen?
Al sinds 1990 is Theo Jansen bezig met het uitdenken en maken van zijn Strandbeesten. Geïnspireerd door de evolutie en zijn interesse naar de mogelijkheden die een pvc-buisje biedt, begon hij aan een project dat oorspronkelijk bedoeld was slechts een jaar te duren en uitmondde in een levenslange onderneming. Van pvc maakt hij ‘beesten’ die zich met behulp van windenergie kunnen verplaatsen op het strand. Hij bedacht een mechaniek waarmee de dieren over het strand konden lopen dat van een simpel materiaal als plastic buizen gemaakt kon worden. Naar eigen zeggen een soortgelijke uitvinding als het wiel omdat de as een horizontale beweging beschrijft bij het bewegen, maar beter, omdat deze ‘poten’ in tegenstelling tot het wiel ook gemakkelijk over mul zand kunnen voortbewegen.
Theo Jansen raakte in de ban van de strandbeesten. “Het werd een verslaving, een ziekte, zoals U wilt. Het is een virus dat maar niet uit mijn lijf wil verdwijnen. Ik ben slachtoffer … De strandbeesten hebben me gebruikt. Ze hebben me eerst ziek gemaakt, ziek van liefde voor hen.” (De grote fantast – Theo Jansen, pag. 191-192).
Jansen is tot op de dag van vandaag bezig met het optimaliseren van bestaande en het maken van nieuwe strandbeesten. Zijn interessante en indrukwekkende bouwwerken zijn niet onopgemerkt gebleven. De beesten genieten van veel publiciteit, zijn te zien op verschillende exposities en hun schepper vertelt over hen op lezingen en conferenties. De dagen in mei waarop Jansen zijn nieuwe beesten loslaat op het strand in Scheveningen trekken ieder jaar geïnteresseerde toeschouwers.
Mensen fascineren zich over de aanblik van de logge onbeholpenheid van de beesten in combinatie met hun complexiteit, en over de poëtische gedachten die deze strandbeesten opwekken.
Veel mensen definiëren de strandbeesten als ‘kunst’ en Theo Jansen wordt meestal aangeduid als een (kinetisch)kunstenaar. Toch ziet Jansen zijn werk niet als kunst. “Every day I work on function, just trying to make it work, and not that much on ‘art’”, zegt hij in een interview*.
Duchamp definieerde zijn Fountain als kunst, en het was aan het publiek om dit in overweging te nemen. In het geval dat de maker zijn werk niet als kunst definieert, lijkt het publiek te kunnen beslissen over of het al dan geen kunstwerk is. Zo worden Theo Jansen’s strandbeesten meestal tentoongesteld in musea en galeries. De vraag of zijn beesten gezien kunnen worden als kunstwerken ondanks dat Jansen ze zelf niet op die manier ziet, lijkt af te hangen van de mening van de aanschouwers. Maar in hoeverre heeft de publieke opinie iets te maken met of een werk gezien kan worden als kunst?
Er zijn geen vastgestelde wetten aan de hand van welke men kan vaststellen of iets al dan geen kunst is; meningen over welke werken kunst zijn, zijn afhankelijk van interpretatie en de opinie van de aanschouwer en de kunstenaar. Maar Duchamp heeft met zijn Fountain bewezen dat de maker van een werk los kan staan van het kunstwerk. In zijn geval was zijn kunstwerk een fabrieksproduct, hijzelf was dus niet de maker maar slechts degene die het tot ‘kunst’ doopte.
Naar mijn mening kan hieruit worden opgemaakt, dat iets mogelijk ‘kunst’ kan worden genoemd, ondanks dat de maker ervan hier niet zo over denkt. Het is aan het publiek om te beslissen of zij in Theo Jansen’s strandbeesten bekwaam vakmanschap en een interessante uitvinding zien, of dat zij het een kunstwerk vinden.






































